Zwangerschapsdiabetes is een tijdelijk te hoge bloedsuiker die ontstaat tijdens de zwangerschap. Door zwangerschapshormonen reageert je lichaam minder goed op insuline, waardoor de suiker in je bloed oploopt. Het komt bij ongeveer 1 op de 15 zwangeren voor en verdwijnt meestal weer na de bevalling.
Vaak merk je er zelf weinig van. Daarom test de verloskundige of arts erop als je een verhoogd risico hebt, meestal met een glucosetest rond week 24 tot 28.
Welke klachten geeft zwangerschapsdiabetes?
De meeste vrouwen merken niets van zwangerschapsdiabetes. Dat is juist het lastige: de bloedsuiker kan te hoog zijn zonder dat je je anders voelt. Sommige vrouwen hebben wel klachten die ook bij een gewone zwangerschap passen, zoals veel dorst, vaak plassen of vermoeidheid.
Omdat klachten vaak ontbreken, wordt zwangerschapsdiabetes meestal opgespoord met een test bij vrouwen met een verhoogd risico, of als de echo een opvallend groot kind of veel vruchtwater laat zien.
Wie wordt getest, en wanneer?
In Nederland krijgt niet iedereen een glucosetest. De test gebeurt bij vrouwen met een verhoogd risico, en daarnaast op indicatie, bijvoorbeeld als de echo een opvallend groot kind of veel vruchtwater laat zien. Je verloskundige of arts schat je risico in bij de eerste controle. Je hebt een hoger risico bij onder andere:
- zwangerschapsdiabetes in een eerdere zwangerschap;
- een BMI boven de 30 bij de eerste controle;
- een eerder kind met een hoog geboortegewicht (boven 4.500 gram);
- een ouder, broer of zus met diabetes;
- het polycysteus-ovariumsyndroom (PCOS);
- een Hindoestaanse, Arabische of Noord-Afrikaanse afkomst.
Heb je een risicofactor, dan volgt de test meestal tussen week 24 en 28. Had je in een vorige zwangerschap al zwangerschapsdiabetes, dan test je arts vaak eerder, rond week 16, en zo nodig later nog een keer.
Hoe werkt de glucosetest?
De test heet de orale glucosetolerantietest, kortweg OGTT. Daarmee meet de laboratoriummedewerker hoe je lichaam suiker verwerkt.
Uit de twee bloedwaarden ziet je arts of je bloedsuiker te hoog blijft. Is dat zo, dan heb je zwangerschapsdiabetes en word je meestal verwezen naar het ziekenhuis, waar een gynaecoloog, internist en diëtist je begeleiden.
Wat zijn de gevolgen?
Met goede behandeling verlopen de meeste zwangerschappen met zwangerschapsdiabetes prima. Blijft de bloedsuiker te hoog, dan zijn er wel risico's voor jou en je baby.
| Voor jou | Voor je baby |
|---|---|
| Hogere bloeddruk | Een groot kind (macrosomie) |
| Meer kans op een inleiding of keizersnede | Een moeilijkere bevalling, zoals een vastzittende schouder |
| Grotere kans op diabetes type 2 later | Een lage bloedsuiker vlak na de geboorte |
Door de bloedsuiker goed onder controle te houden, worden deze risico's een stuk kleiner. Daarom is opsporen en behandelen belangrijk, ook al voel je je goed.
Hoe wordt zwangerschapsdiabetes behandeld?
De behandeling begint bijna altijd met aanpassingen in je eten en meer bewegen. Voor ongeveer 9 van de 10 vrouwen is dat genoeg om de bloedsuiker goed te krijgen. Je meet je bloedsuiker dan zelf op vaste momenten en houdt dat bij.
Een diëtist helpt je met een eetpatroon dat de bloedsuiker stabiel houdt: vaste eetmomenten, volkoren producten, groente en peulvruchten, en zo min mogelijk suikerrijke dranken en snacks. Lukt het met voeding en bewegen niet, dan komt er insuline bij. Dat is veilig tijdens de zwangerschap.
Wat gebeurt er na de bevalling?
Bij de meeste vrouwen verdwijnt de zwangerschapsdiabetes kort na de bevalling, omdat de hormonen die het veroorzaakten wegvallen. De bloedsuiker van je baby wordt na de geboorte gecontroleerd, omdat die in het begin te laag kan zijn.
Veelgestelde vragen
De vragen die bij dit onderwerp het vaakst gesteld worden.
Meestal geen. Soms heb je veel dorst, moet je vaak plassen of ben je moe, maar die klachten passen ook bij een gewone zwangerschap. Daarom wordt het opgespoord met een test bij een verhoogd risico.
Alleen als je een verhoogd risico hebt. De test is dan meestal tussen week 24 en 28. Had je eerder zwangerschapsdiabetes, dan test je arts vaak al rond week 16.
Je komt nuchter naar het lab. Je bloed wordt geprikt, je drinkt een suikerdrank met 75 gram glucose en na twee uur wordt je bloed opnieuw geprikt. Uit de waarden blijkt of je bloedsuiker te hoog is.
Met goede behandeling meestal niet. Blijft de bloedsuiker te hoog, dan kan je baby groot worden, kan de bevalling lastiger zijn en kan je baby na de geboorte een lage bloedsuiker hebben. Behandeling verkleint die kansen sterk.
Eerst met aangepaste voeding en meer bewegen; voor ongeveer 9 van de 10 vrouwen is dat genoeg. Lukt het zo niet, dan komt er insuline bij. Je meet je bloedsuiker zelf en staat onder controle bij de gynaecoloog.
Bij de meeste vrouwen wel, kort na de bevalling. Je houdt daarna wel een hogere kans op diabetes type 2, dus je arts adviseert om je bloedsuiker regelmatig te laten controleren.
Je kunt het niet altijd voorkomen, want hormonen spelen een grote rol. Een gezond gewicht, gezond eten en voldoende bewegen voor en tijdens de zwangerschap verkleinen wel de kans.
LET OP
Dit artikel vervangt geen medisch advies. Heb je een verhoogd risico, klachten of twijfel, bespreek dat dan altijd met je verloskundige of arts.
Laatst bijgewerkt: juni 2026. We werken dit artikel regelmatig bij.



